Toch afgezegd (5 mei 2008)
Daar zit ik dan. Pyjama aan,
televisie aan, dekentje over me heen. Voor me een tafel vol troep. Een pak
gevulde koeken, een ½ liter aardbeienkwark, een warme hamkaascroissant, een reep
chocola, een pizza en een zak engelse drop. Oh. En een zak chips. Paprikachips.
Mijn vriendinnen vieren
feest. Ik ook. Alleen zijn zij nu met z’n allen op de verjaardag van Mariek, en
zit ik hier thuis mijn eigen feestje te vieren. Ik wilde wel mee hoor, vorige
week. Sterker nog, ik heb de hele troep bijeen geroepen, geld ingezameld en een
cadeau geregeld. Het zou enorm leuk worden. Gisteravond stuurde ik zelfs nog een
smsje naar Lin, of ze me rond 20.00 op zou komen halen.
Maar ja. Vanmorgen deed de weegschaal niet wat ik wil. Het wijzertje sloeg iets
te ver door naar rechts, en dat was het einde van het feest. Chaos in mijn kop.
Ik ga dus niet naar die verjaardag. No way dat ik nu naar buiten ga, wat moet
ik aan?!? In alles, maar dan ook echt álles ben ik toch een vette koe. Het kán
gewoon niet. Ik kan me niét vertonen. Wat moeten al die mensen op die
verjaardag wel niet denken? Gatverdamme, zeg…
Maar als ik af zeg… pfff… ik heb afgelopen anderhalf jaar zo ongeveer álles op
het laatste moment afgezegd. Ik geef die meiden groot gelijk als ze er een punt
achter zetten.., hun vertrouwen en geduld is ook niet eeuwig. Dit schiet niet
op. Ze hebben niks aan mij. Maar.. ik wil ze niet kwijt. Ik moet gewoon gaan..
Maar dat gewicht… dit lijf. Het voelt zooo kut… en iedereen kan het zien. Daar
zijn natuurlijk allemaal hapjes Eerst taart, dan chips en toastjes en
weetikveelwat. Daar kan ik niet van eten, maar ik word ook gek als ik zie hoe
anderen het wél mogen… Straks sla ik dáár door, en dan kan ik het niet
uitkotsen.., ik weet hoe ze naar me kijken als ik dan van de w.c. terug kom………
En nu zit ik hier. Met een
berg eten. Als ik mazzel heb, kan ik twee rondes doen met de voorraad die nu
voor me ligt. Ben ik toch al snel weer een uurtje verder, en wie weet uitgeput
genoeg om m’n bed in te rollen. Kort, maar krachtig feestje. Nou ja, ze missen
me toch niet. Vast niet.
Dan een smsje van Mariek: ‘Hé meid, dankjewel voor jullie cadeau, echt supertof.
Jammer dat je niet kon komen. Heb je wel beetje leuke aaf? Kus!’
Of ik een leuke aaf heb? Hell yeah, natuurlijk heb ik een leuke avond. Tijd voor
de chips…
Sandra
Geen spelletje. (27 februari 2008)
“Had
je maar niet zo’n stomme trui aan moeten doen” of “had je maar niet zo
raar moeten doen in de klas”. Dat was hun reden om me te pesten. Ik werd
geschopt en geslagen, mijn spullen werden gejat en herhaaldelijk werd mij
meegegeven hoe waardeloos, dik, dom en lelijk ik was. Ik wist nooit waarom mijn
trui stom was. En ik wist ook nooit wat ik voor raars had gedaan. Ook al
streefde ik naar perfectie, perfect genoeg was het nooit.
Behalve
dit soort vage herinneringen weet ik weinig meer van het pesten. Op een paar
gebeurtenissen na, is alleen dat ene gevoel wat ik toen altijd had blijven
hangen. Het gevoel dat ik niemand kan vertrouwen, het gevoel dat het logisch is
dat ik er niet bij hoor en bovendien het gevoel dat ik moet proberen precies te
zijn zoals zij willen dat ik ben, zodat ik die pesters niets pestbaars
voorschotel. Dat laatste lukte me nooit. Zelfs als ik ervan overtuigd was me
perfect te gedragen, was ik het slachtoffer.
Je
moet ze gewoon negeren,
gaf mijn moeder altijd als goedbedoeld advies. Dat ging natuurlijk zo makkelijk
niet. En zelfs áls ik het voor elkaar kreeg om níet ineen te krimpen als ze me
schopten en níet te huilen als ze scholden, dan nog deed het net zoveel pijn als
anders, maar kwamen de tranen later. Ik denk dat er tussen alle denkbare
adviezen niet één goede zou zitten. Ik denk niet dat er een goede strategie
bestaat. Het probleem ligt bij de pester en niet bij de gepeste. Voor de pesters
is het pesten namelijk ook maar een strategie. Een strategie om met problemen
thuis om te gaan, of een strategie om hun eigen onzekerheid te verbloemen.
Waarschijnlijk kunnen en weten ze op dat moment niet beter. Maar probeer je dat
maar eens te realiseren op het moment dat je het pispaaltje van de klas bent.
Als de stoelen onder je vandaan getrokken worden als je gaat zitten, als je
zakje koekjes voor in de pauze geregeld gejat wordt en als je nog dagenlang
uitgelachen wordt als je je een keer hebt versproken. Als dat soort dingen keer
op keer gebeuren is het verdomd moeilijk om niet te gaan denken dat je het
verdient. En als er keer op keer ontzettend nare dingen tegen je worden gezegd,
is het ook vreselijk moeilijk deze niet te gaan geloven. Niemand verdient het
natuurlijk om gepest te worden, maar in die tijd was ik er zeker wel van
overtuigd dat ik er zelf om vroeg. Niet met woorden, maar door hoe ik deed, wat
voor kleren ik aan had, wat voor cijfers ik haalde en wat ik allemaal zei…
Op een
bepaald moment is het pesten gestopt. Ik weet niet eens waarom eigenlijk.
Misschien waren mijn kleren eindelijk leuk genoeg, of zei en deed ik eindelijk
de goede dingen. Ik denk dat ik het in die tijd zag als een beloning voor mijn
streven naar perfectie, want dat perfectionisme heb ik nooit meer losgelaten
daarna. Nog steeds moet mijn outfit perfect zijn en een bad-hairday is niet eens
een optie. Maar dat is niet het ergste was je aan jarenlang pesten kan
overhouden. Ik had ook het onzekere en bange meisje van vroeger kunnen blijven.
Niets minder is waar. Niemand pest mij meer, want ik laat me niet pesten. Ik sta
mijn mannetje wel tegenwoordig. Wat dat betreft heb ik mazzel; ik ben er goed
vanaf gekomen en ik weet heel goed dat dat ook anders dan.
Ik hoop
dat iedereen die dit leest en mijn mazzel niet deelt, nog eens de moed zal
vinden aan de slag te gaan met dat pestverleden. En boven alles hoop ik dat alle
pesters die dit lezen de volgende keer nog eens extra nadenken voordat ze iemand
in elkaar slaan, uitschelden of op een andere manier het leven zuur maken.
Pesten
is nou eenmaal een spelletje.
Nathalie
Stoplichtkaarten. (17 februari 2008)
Soms ga ik naar de bank. De bank met het groene logo, jeweetwel. Het is er vrij
prettig vertoeven, lekkere stoeltjes, leuk ingericht en alles. Ja, de bank en
ik, wij konden het wel vinden. Totdat ik laatst iets ging halen bij de bank. Er
bestaan van die kaarten waarmee je een machtiging kan intrekken. Een machtiging
intrekken was precies wat ik wilde doen, dus monter stapte ik de bank binnen om
die kaarten te bemachtigen. Als klant zijnde kreeg ik ze in het verleden gewoon
mee. Alstublieft mevrouw, fijne dag nog verder. En dan vervolgde ik mijn weg.
Ontelbaar veel keren ging het op die manier. Maar laatst. Laatst was alles
anders.
Het was een donderdag, en mijn zus en ik stapten de bank binnen. De mevrouw bij
de balie (zwaar opgemaakt, hoog getoupeerd haar, gevangen in een ongelukkig
huwelijk – ik herken ze van mijlenver) zei geen vrolijk ‘Goedemiddag!’ zoals ik
dat deed. (Als ik iets nodig heb van iemand achter een balie, gedraag ik me
overdreven vrolijk, ik merk dat het helpt.) Ze zei niet eens onvrolijk
goedemiddag. Ze zei niets. Ze keek me gewoon aan. Ik schudde dit moeilijke begin
van me af en vroeg om “van die kaarten waarmee je een machtiging in kan
trekken”. Ze zuchtte. Ze zuchtte! Ik bedoelde zeker de stop-licht-kaarten, zei
ze. Toen grinnikten mijn zus en ik tegelijk, want kom op, stoplichtkaarten.. wie
noemt dat nou zo? Ik bekende de mevrouw dat ik niet wist of die kaarten
stoplichtkaarten heetten, maar als dat de kaarten waren om een machtiging mee in
te trekken: dan bedoelde ik die. “Dát zijn dus stop-licht-kaarten, ja” zuchtte
ze terwijl ze me in gedachten vervloekte om al mijn domheid. Mijn zus beet op
haar lip. Nog steeds vrolijk en beleefd vroeg ik of ik dan de stoplichtkaarten
mocht hebben. Waarom dan wel, wilde ze weten. Ik grinnikte, en dit keer was het
mijn zus die zuchtte. Mijn zus heeft iets minder geduld dan ik. “Nou, om een
machtiging in te trekken dus.” Leek me nogal wiedes.
Die geef ik niet zomaar mee, zei de mevrouw star. Alsof ze het over de sleutel
van de kluis had ofzo. Neen zeg, ik moest eerst maar de desbetreffende instantie
op de hoogte stellen en pas als zij de machtiging niet in wilden trekken kreeg
ik die kaarten mee. En of ik haar eerst ook nog even wilde vertellen om welke
instantie het gaat, want daar moet ze wel van op de hoogte zijn. Ik moest de
mevrouw heel lang aankijken toen. Zus stond intussen al te mopperen en
binnensmonds te vloeken. En toen, zomaar ineens, was ik het helemaal zat.
Misschien waren het de hormonen, misschien was het haar getoupeerde haar, maar
ik was het zat.
Luister eens mevrouw. Ik ben hier klant en als ik u om kaarten vraag die al
jarenlang gewoon uitgedeeld worden, wens ik die kaarten mee te krijgen. Ik ben
niemand uitleg verschuldigd over wie en wat en hoe, dus als u me nu gauw die
kaarten geeft kan ik verder met mn leven en kunt u op het toilet even de meek-up
bijwerken want het lijntje om uw mond begint al te vervagen. In dit gezeik heb
ik zó ont-zet-tend geen zin.
En toen glimlachte ik. Ik weet, wat ik zei was allemaal niet erg aardig.
Maar ik kreeg wel meteen die kaarten mee. Dus.
Debby.
Het kan dus Wel
(30 januari 2008)
….en toen ineens kwam daar het moment waarop ik wél om me heen begon te kijken
naar al wat er op deze wereld rondhuppelt aan potentiële huwelijkskandidaten.
Mijn blik niet langer op de stoeptegels gericht, maar hoppa, kin omhoog en
gluren. Niet omdat ik een bepaalde leeftijd heb bereikt of omdat mijn hormonen
ineens snappen in welke hersengebied ze moeten wezen, maar gewoon, omdat ik zelf
na lang knokken heb begrepen dat ik op wat gekkigheidjes na best een leuk wezen
ben en dat er dus een grote kans is dat iemand anders mij ook een leuk wezen zou
kunnen vinden. En tja, dat biedt mogelijkheden. Zou het dan toch nog goed komen?
Zou dat burgerlijke huisje-boompje-beestje dan toch ook voor mij zijn weggelegd?
De fase van om me heen kijken volgde. Dromen, fantaseren over samen over het
strand slenteren, over tegen elkaar aan hangen op de bank en een DVD'tje kijken,
over samen wijntjes drinken. Allemaal hartstikke leuk - zolang het in mijn hoofd
gebeurde. Lekker veilig.
Maar dan. Die jongen die volgens oude negatieve gedachten allang was
afgeschreven - want pfff, hij is hip en leuk en pfff alsof hij mij überhaupt zou
zien staan pffff - blijkt ineens niet alleen maar aardig, maar ook nog leuk en
als ik heel erg mijn best doe om het toe te laten, dan voel ik echt een soort
aantrekkingskracht van Hee Hallo Kom Es Heel Snel Hier En Hou Me Vast.
Maar dan? Wat dan?!? Want pfff kom op pfff die oude gedachten die doen keihard
hun best om hun bestaansrecht terug te eisen en me te overtuigen van de
onmogelijkheid tot liefhebben, maar ergens is er ook iets nieuws gaan leven. Een
verlangen, een hoop, een oerkracht die vleugels geeft. Een kracht die me tot
rare dingen in staat stelt. Van zomaar wat gaan drinken met hem (want pfff dat
doe ik hem toch niet aan pfff alsof hij met mij gezien wil worden pfff en ik ben
écht heel saai) tot urenlang bij hem op de bank hangen en kletsen over koetjes
en kalfjes en de zin van het leven (maar pfff alsof hij écht geïnteresseerd is
in mij pff denk dat maar niet pfff hij wil vast maar één ding, wat ook weer raar
is want pffff ik ben dik en lelijk en smerig dus waarom zou hij dat met mij
willen pfff). En toch is het leuk. En blijft het leuk. Voelt het vertrouwd en
veilig en zijn er eigenlijk weinig alarmbellen die rinkelen als ik bij hem
ben...
Misschien is die kracht wel toe te schrijven aan het oerinstinct. Tenslotte zijn
we allemaal geprogrammeerd op het in stand houden van onze soort en dus op de
voortplanting. Zou dit dan ook betekenen dat de fase van overleven nu
verschuift naar leven?
Allemaal leuk en aardig hoor, al die veranderingen in mijn hoofd, maar
ondertussen gaat het allemaal door. Hij belt, hij vraagt, hij doet. Hij wel. En
ik bel terug en ik antwoord en ik ga naar hem toe, maar poeh. Zo makkelijk gaat
het allemaal niet. Verliefdheid is een slopende zaak.
Een aanraking. Prima. Fijn zelfs. Het ene moment. Het andere moment check ik
–net zoals ik dat bij vriendinnen nog soms doe- enigszins wanhopig zo snel
mogelijk de plek waar zijn hand heel even mijn been aanraakte. Gewoon, om te
voelen hoe dat voor hem voelt… of het niet veel te zacht en blubberig en vies
is. En als ik bij het naar het toilet gaan mijn halfnaakte spiegelbeeld zie, dan
overvalt de walging en het ongeloof. Het idee om mezelf met plas en al door het
toilet te spoelen is erg aantrekkelijk. Onzichtbaar zijn. Het kan gewoon niet
dat hij echt iets in me ziet… Ik. Wil. Verdwijnen… Nu.
Ik kan dan wel willen verdwijnen, maar ik sta in zijn badkamer in zijn
spiegel te gluren en hij zit op de bank te wachten op mij. Op MIJ,
haha. Sukkel. Door de w.c. pas ik niet, dus ik heb weinig keus.... door de deur
terug naar hem. Hij kiest er immers voor om mij aan te raken en doet dat uit
vrije wil. Blijkbaar ervaart hij geen probleem - en al helemaal geen walging.
Daar hebben wij dan toch een probleem, want ik loop het liefst hard weg. Wat ook
weer niet helemaal waar is, want ik verlang ernaar om gewoon lekker tegen hem
aan te hangen op de bank of om hand-in-hand over het strand te slenteren.
En zo ontdek ik langzamerhand weer een functie van de eetstoornis: Het in stand
houden van mijn negatieve zelfbeeld en daarmee het blijven geloven in de
onmogelijkheid van een vriendje. Op die manier hou ik alles op afstand – hem,
zijn aanrakingen en daarmee mijzelf. Zo word ik ook niet geconfronteerd met mijn
moeites – met mijzelf. Met mijn lichaam en al wat daarbij hoort. Alles wat het
heeft meegemaakt en heeft opgeslagen in het zogenaamde lichaamsgeheugen. Hoe ik
het ook wend of keer en hoe hard ik ook probeer om mijn gedachten de juiste kant
op te sturen, dat wil niet zonder dat ik mijn lichaam en al wat het heeft
doorstaan er laat zijn en laat spreken. Laat spreken naar mijzelf, maar ook naar
hem. Com-mu-ni-ce-ren. Met hem. En met mij.
Sandra.
Alles is liefde. (16 januari 2008)
Angst kent de vreemdste vormen. Het duikt op de vreemdste plekken op en neemt de
vreemdste gestaltes aan. Vroeger kende ik maar een angst: het verliezen van
liefde. Dat de mensen waarvan ik hield zouden weg gaan, sterven, of gewoon
stoppen met van mij houden. En toen gebeurde dat. Mensen stierven, mensen gingen
weg en ja, mensen stopten met van mij houden. Mijn angst was overal. In de dag,
in de nacht, in elk samenzijn en elk eenzaam moment. Maar ik bleef bestaan.
Mijn enige angst was werkelijkheid geworden. Een hart kan breken, een lichaam
kan kapot gaan, maar het bestaan, dat bleef. Vaak genoeg dacht ik dat ik ten
onder zou gaan aan al het emotionele geweld dat me werd aangedaan, ook door
ondergetekende. Maar niets van dat. Ik overleefde mijn enige angst. Ik was mijn
eigen held. Maar geen mens is zonder vrees. En angst neemt de vreemdste
gestaltes aan. Die, wat ik dacht, enige angst werd in zijn zijn ondersteund door
een legio aan andere angsten, dat werd pas duidelijk toen ik, voor heel even,
mijn eigen held was. Alsof ze al die tijd in de wachtrij hadden gestaan. Het gaf
niet, ik ben nooit naïef genoeg geweest om te denken dat ik zonder ze zou
kunnen.
Maar toen. Als een donderslag bij heldere hemel kreeg al die angst een nieuwe
dimensie. In de vorm van een baby. Wie had kunnen denken dat zoiets kleins en
weerloos mij zo bang kon maken, nog voor het geboren is? Zou dat liefde zijn? De
angst zit in alles, op de vreemdste plekken. In het bedje en het matrasje, in de
kinderwagen en het badje, in de kleertjes en het speelgoed, in de stopcontacten
en het nachtlampje. Alles is eng, want alles kan gevaarlijk zijn. Om over de
buitenwereld en al zijn gevaren nog maar te zwijgen.
Het verliezen van liefde is, nog steeds, mijn grootste angst. En gebeurt het
weer, dan weet ik: ik blijf wel bestaan. Maar als alles liefde is, en liefde
leven wordt en in alle weerloosheid die het bezit van me weg genomen wordt, dan
hebben we het niet meer over het verliezen van liefde zoals ik dat eerder heb
gekend. Dan ga ik wél ten onder, tezamen met de liefde en alles dat erbij hoort.
Want als Alles liefde is, ben je heel gauw Alles kwijt.
Debby
Het grote misverstand (27-12-2007)
Je hebt maanden, zo niet jaren, toegewerkt naar dit moment. Je hebt je alles
gegeven, en meer. Het heeft je letterlijk bloed, zweet en tranen gekost. Maar
het moment is dan toch daar: Je bent klaar met je behandeling. Je bent daarmee
'officieel gezond' verklaard; je hebt een oké-stempel gekregen; je bent beter.
Je durft het bijna niet te zeggen of zegt het juist vol trots, hoe dan ook is
dit je welverdiende beloning, klaar zijn met therapie.
Alhoewel...Beloning? Wat houdt deze mijlpaal eigenlijk in? Wat brengt dit nieuwe
etiquette? Was je van tevoren ergens ook niet heel erg bang voor dit moment? Heb
je niet gedacht: “Ja maar... Mijn eetstoornis hoort bij wie ik ben en als ik dat
niet meer heb; dan ben ik niemand meer.”? Heb je er niet aan gedacht dat je
zonder die eetstoornis helemaal niet zou kúnnen leven, hoe tegenstrijdig ook?
Dus breekt er nu juist niet een hele enge periode aan?
Toen ik me begon in te zetten om beter te worden, heb ik hier vaak over
nagedacht. Ik heb het er veel over gehad met mensen die in datzelfde proces
zaten en met mensen die zelf al een behandeling succesvol achter de rug hadden.
Hieruit kreeg ik een beeld dat er een 'lege' periode zou aanbreken zodra ik
klaar was met mijn behandeling; het welbekende zwarte gat. Toch leek het me meer
dan waard: Het leven dat ik ervoor leidde, had een dood spoor. Veel
mogelijkheden had ik er niet mee. Dus het gevecht ging ik aan, met de
verwachting dat ik aan het eind een heel belangrijk stuk van mijn identiteit zou
verliezen.
Ik heb inmiddels het idee dat bovenstaande een groot misverstand is. Misschien
heb ik wel ontzettend geluk gehad; dat kan ook. Want mijn leven nu: vorige week
donderdag na jaren bezig geweest te zijn mijn laatste gesprek gehad en dus het
einde van mijn behandeling, ik woon samen, heb een gezonde en leuke relatie, ik
doe de studie waar ik altijd van heb gedroomd, doe de leukste dingen met
vrienden en familie. Er is bij mij helemaal geen ruimte voor een zwart gat.
Alles wordt juist opgevuld door ontzettend leuke en mooie dingen die ik juist
vanwége mijn eetstoornis niet kon doen. Wat eten betreft is het nu: koken is één
van mijn grootste hobbies geworden, ik kijk uit naar de gezellige feestdagen,
nodig graag mensen uit om te eten, ga erg graag uit eten, waardeer de smaak van
voedsel en eten en mijn lichaam zijn geen obsessies meer die me in watdanook
tegenhouden. Ik heb juist mijn identiteit uitgebouwd tot dingen die wél bij me
horen in plaats van dat ik een meisje was waar er dingen waren die niet helemaal
liepen 'zoals het hoort.' Dingen waarvan ik zeker wist dat ze niet voor mij
waren weggelegd, omarm ik nu volledig. Het is dus juist het tegenovergestelde.
Als ik niet het gevecht aan was gegaan – en bij mij betekent dat grotendeels:
als ik niet in therapie was gegaan – had ik nooit geweten wie ik echt zou zijn.
Misschien vind je dat juist een enge gedachte en loop je er liever voor weg.
Maar geloof me, dat dode spoor van eerst is in werkelijkheid veel en veel enger.
Je houdt jezelf voor de gek om het om te draaien en geloven in een misverstand.
En waarom zou je ook eigenlijk?
Regina
In de weg (augustus 2007)
Hoe je het ook wendt of keert, je moet ermee door één deur. Letterlijk. Je
beweegt je ermee voort en het maakt alles mogelijk. Sterker nog, zonder je
lichaam kan je niks. Onnodig om dit zo op te schrijven natuurlijk; het lijkt me
duidelijke logica. Maar als je lichaam je heel erg in de weg zit, wil je hier
nog wel eens aan voorbij gaan. Dan is het een ding om je tegen te verzetten,
erop te zeuren en te vervloeken. Dan is het zo dat hoe je het ook wendt of
keert, je onprettig voelt in je eigen vel en je er van weg wilt. Maar dat kan
dus niet. Daar vrede mee hebben, is denk ik accepteren.
Maar zou het meer moeten betekenen dan dat? Meer dan: “Oké, ik vind mijn lichaam
niks, maar ik moet het er nou eenmaal mee doen”? Los van dat dit al een heel erg
behulpzamere gedachte kan zijn dan er steeds maar tegen vechten en er van weg
willen lopen, zou het helemaal mooi zijn als je, in plaats van hier vrede mee te
hebben, ook écht gelukkig bent met wie je bent en daarbij hoort dus ook je
lichaam.
Voor een grote groep mensen staat een woord als lichaamsacceptatie ver
van zich af. Je lichaam accepteren? Wat valt er te accepteren dan? Dat ik armen
heb, en benen? Gelukkig maar. Die mensen denken niet aan waar er wel of niet een
vetje zit, die zijn er gewoon blij mee dat ze zich voort kunnen bewegen. Veel
aan dat lichaam te danken. Daarbij zijn natuurlijk ook mensen die los van de
functionaliteit van een lichaam blij zijn hoe het eruit ziet. Is dat te bereiken
voor mensen die jaren lang op een negatieve manier met hun lichaam bezig zijn
geweest?
Nu wacht je misschien vol hoop op een verlossend antwoord. Helaas. Ik kan je het
antwoord niet geven. Nog niet, hoop ik. Ik weet niet of dat te bereiken is, maar
ik ben bereid – more than willing – om de uitdaging aan tegaan en alles in te
zetten om er proberen te komen. Ik heb er niets mee te verliezen en heel veel
mee te winnen. Ik voel er weinig voor om nog voor altijd – en dat is lang - met
mijn lichaam in strijd te zijn en mezelf ermee in de weg te zitten, al ben ik er
al wat verder in dan tijden terug. Jij zit er toch ook niet op te wachten om
altijd dat gevoel te houden?
Misschien heb jij daar dus ook geen zin meer in en wil je af van vervelende
ideeën over je lijf of heb je juist die 'magische stap van acceptatie' al
gemaakt en wil je mensen aanmoedigen dit ook aan te gaan. In de themachat is er
plek om het daar en meer over dit onderwerp te hebben.
Regina
Spiegels (12 juli 2007)
Spiegels
zijn voor ons, (ex-)eetgestoorden, allemaal lastig (geweest). Ik moet zeggen: ik
ben er nog steeds niet dol op, ondanks het feit dat ik mezelf bij de groep
ex-eetgestoorden zou indelen. Het is niet zo dat ik spiegels ontwijk, maar ik
ben niet iemand die ieder uur controleert of zijn reflectie nog bevalt, want ik
weet toch dat de conclusie 'nee' is en dat het geen 'ja' kan worden. Dat is
altijd zo als ik expres in een spiegel kijk. Dat wil dus zeggen: op het moment
dat ik beslis om mijn spiegelbeeld te gaan beoordelen. Want dat doe ik (en doen
jullie), natuurlijk, eigenlijk. Je kijkt niet alleen. Je oordeelt. En aan een
oordeel zitten eisen vast. Figuurlijke latten die een eetgestoorde hoger dan wat
haalbaar en gezond is, heeft gelegd.
Ooit
deed ik alles om aan mijn eigen eisen te voldoen. Ik wist wel dat het ongezond
en uiteindelijk dodelijk was om zo weinig te eten als ik in die tijd deed. Maar
dat deed er simpelweg niet toe. Ik móest gewoon dun zijn. Kosten wat het zou
gaan kosten.
Oordelend keek ik toentertijd in iedere spiegel. En iedere winkelruit. En iedere
autodeur. En het deurtje van de oven.
Maar als
je nou eens alleen kijkt? Oordeelloos kijken. Dat is lastig. Menig PMT-therapeut
waagt zich aan die moeilijkheid. Spiegeloefeningen, met als doel ‘objectief naar
je lichaam kijken’, zijn wekelijkse kost in de meeste meerdaagse
eetstoornisgerichte behandelingen, ondanks dat dit therapieonderdeel door veel
patiënten gehaat wordt. Dat laatste is niet vreemd natuurlijk. Want
eetstoornispatiënten zijn, op zijn allerzachtst gezegd, niet zo dol op hun
lichaam. Dat wil zeggen; op hun lichaam zoals zij het zelf ervaren. Want ‘ik
voel me dik’ uit de mond van iemand met ernstig ondergewicht is uiteraard de
reinste onzin en wordt veroorzaakt door een verstoord lichaamsbeeld. Waar die
verstoring precies zit op de weg van dat spiegelbeeld naar het hersengedeelte
wat het verwerkt is onduidelijk. Wat wel duidelijk is, is dat we deze verstoring
zelf creëren, aangezien anderen niks diks aan zo’n magere anorexiapatiënt kunnen
ontdekken. Zelfs andere eetgestoorden zouden de dikte van diegene ontkennen. Een
verstoord lichaamsbeeld heb je alleen van jezelf.
Dus als
je nou eens alleen kijkt? Oordeelloos kijken. Dat zou geweldig zijn, als het
niet onmogelijk was. Onze soort heet de homo sapiens; de denkende mens. Wij
oordelen altijd. Of het nou over onszelf gaat, over het nieuwe kapsel van de
buurvrouw, over het koekje wat we eten of over het weer. We hebben overal een
mening over. Sommige mensen vooral over anderen. Anderen weer hoofdzakelijk over
zichzelf. Helaas: oordeelloos kijken past niet bij onze soort. Zelfs urenlange
spiegeloefeningen en therapieën kunnen ons dit oordelen niet afleren.
Toch
denk ik dat het kan. Zolang we het maar per ongeluk doen. Nu kun je natuurlijk
niet iets exprés per ongeluk doen. Een meer paradoxale combinatie bestaat bijna
niet. Dus je zult moeten wachten op het moment dat je je spiegelbeeld per
ongeluk ziet, zonder dat je je realiseert dat je het zelf bent. Omdat we, zoals
ik net stelde, niet zonder oordelen kunnen, heb je in één oogopslag een mening
klaar over de persoon die je ziet. Maar het mooie aan deze mening is, is dat hij
aanvankelijk niet over jezelf ging (je had immers niet door dat je naar je
evenbeeld keek), waardoor je plotseling over jezelf oordeelt zónder verstoord
lichaamsbeeld. Als dit in een therapie opgenomen kan worden, moet dat
vanzelfsprekend gebeuren, want de resultaten zijn vaak verbluffend.
Ik had
net nog zo’n moment. Ik zag rechts iets bewegen, richtte mijn blik daarop en
keek mijzelf onvoorzien aan in het raam. Toen ik besefte dat ik mezelf had zien
bewegen, besefte ik ook dat ik de buik van het meisje in dat raam lang niet zo
dik vond als mijn eigen buik. Door die notie maakte ik een figuurlijk sprongetje
van blijdschap, zo uitzinnig blij ben ik namelijk niet met mijn buik. Het besef
dat ik mijn eigen buik zojuist als niet-zo-dik had beoordeeld, voelde ongekend
geweldig. Toen ik daarna terugkeek om dat nog eens wat beter te bekijken kon ik
de buik van het meisje/mij bijna letterlijk zien groeien. Het moment was weer
over.
Maar dat
gevoel, dat is er nu nog steeds.
Nathalie.
Beter is Leven
(27-06-2007)
Ik denk dat iedereen die zo ver is zichzelf eetstoornispatiënt te kunnen noemen
ooit dit moment wel heeft gehad. Het moment dat je je afvraagt: Dúrf ik wel
beter te worden? Wat blijft er dan van me over, als dat deel dat zo verweven
lijkt met mijn identiteit verdwijnt? Kan ik – hoe paradoxaal ook - wel overleven
zonder mijn ‘veilige achterdeur’? Kan ik zonder eetstoornis wel met emoties
omgaan?
Misschien dat die angst je naar de keel grijpt nog voor je de stap hebt gezet
naar hulpverlening, misschien als je eenmaal bezig bent met therapie en
misschien wel als je al heel ver in het proces van genezing bent. Ineens die
twijfel, die vragen, die angst.
Die vragen zijn misschien voor iedereen verschillend. De nadruk kan liggen op
aandacht (word ik nog wel gezien als ik ‘beter’ ben?) of zoals hierboven
omschreven met omgaan met emoties of spannende gebeurtenissen in je leven of er
gaat een hele persoonlijke gedachtereeks aan vooraf. Waar het om gaat is, dat
het je tegen kan houden in je genezingsproces.
Diep van binnen weet je wat beter voor je is. Gezond zijn of ziek blijven? Voor
een buitenstaander is het antwoord op die vraag heel simpel. Bovenstaande tekst
laat zien dat het heel wat ingewikkelder kan zijn, maar meestal help je jezelf
het meest door het van een afstandje proberen te bekijken en een beroep te doen
op je verstand. Vroeger of later moet je de keuze maken gezond te willen worden
en het gevecht beter te worden aan te gaan. Want ik neem aan dat niemand ziek -
en onlosmakelijk daaraan verbonden ongelukkig - wil blijven.
De vragen, twijfel en angsten bij het beter worden mag je heel serieus nemen en
ik denk zelfs dat dat nodig is binnen het proces van gezond worden. Maar bedenk
eens waar je het allemaal voor kunt doen. Houd dat altijd in je achterhoofd,
schrijf het op, schreeuw het uit. De redenen om beter te worden zijn heel
persoonlijk, anders voor een ieder. Hier een paar suggesties: Zonder een gezond
leven kun je niet doen wat je het liefst zou willen doen, bijvoorbeeld studeren,
een leuke baan hebben, uitgaan, kinderen krijgen, flexibel en spontaan afspreken
met vriendinnen, een goed boek lezen of een goede film kunnen volgen, een
etentje geven voor vrienden, een gezonde relatie onderhouden, sporten, je leven
richting geven. Of: Hoef je anderen niet machteloos naast je te zien staan en
hoeft je omgeving je niet zo in de gaten te houden.
Maar bovenal: zonder een gezond leven en beter worden, kan je niet genieten.
Zonder gezond, geen leven. Reden genoeg, lijkt me.
Regina
Acht mei (juni 2007)
Soms straalt de zon alleen voor mij. Dat klinkt wat zelfingenomen, denk je nu,
maar geloof me nou maar. Soms straalt de zon alleen voor mij. Dan ben ik ergens,
onderweg naar de bushalte, of ik sta in de tuin wat te niksen, en waar de rest
van de wereld zich dan bekommert om onbenulligheden wordt mijn gezicht opgelicht
door die zonnestralen. Dan ben ik de enige die ervan mag genieten. De enige op
onze gigantische aardbol, dan voel ik mij de uitverkorene.
Soms leef ik echt alleen voor mij. Dat klinkt wat egocentrisch, denk je nu, maar
geloof me nou maar. Soms verdien ik dat ook echt. Dan ben ik het middelpunt van
alles en is het enige dat er nog iets toe doet datgene ik wil. Dan is mezelf
tevreden, zelfs gelukkig, stellen het hoogste dat ik kan bereiken. Het hoogst
mogelijke, mijn enige overgebleven ambitie. Dan is alles mij.
Tot voor kort dacht ik dat dat het wel was. De zon, de aarde, en daar ergens
tussenin, ik. Ik met al mijn wensen en dromen en angsten en tekortkomingen,
zoals iedereen. Ik was zoals iedereen wel eens de uitverkorene vanwege die
zonnestralen, en de egocentrische, omdat ik het verdiende. Mezelf kende ik, als
geen ander. Alles was goed zo.
Tot voor kort dacht ik dat ik alles wist. Dat ik wist van die zonnestralen en
waarom ik, en dat ik wist van mezelf en waarom ik zo was, en dat ik wist waar ik
heen wilde met mijn leven en alles op alles zette om daar te geraken. Tot aan
acht mei wist ik ontzettend veel, absoluut. Maar op acht mei ontdekte ik iets
dat alles wat ik ooit had geleerd en geweten op losse schroeven zette. Alle
zekerheden werden onder me vandaan gevaagd, niets wist ik nog. Niets.
Nu straalt de zon niet meer alleen voor mij. Nu leef ik niet meer alleen voor
mij. Alles is niet mij, niet meer. De zon straalt, en ik leef, en alles is, maar
het is allemaal voor iemand anders. Want op acht mei kleurde mijn
zwangerschapstest positief, en mijn wereld kleurde alle kleuren van de
regenboog. Ik weet niets, maar alles van liefde. Nu wel.
Debby.
Niet meer willen emigreren
(30-05-2007)
Zomer. Stralende zon. Iedereen is zo luchtig mogelijk gekleed en overal staan
ventilatoren op volle toeren te draaien. Warmte. Je zou wel gek zijn als je
jezelf niet zou toestaan te verkoelen met het eten van een ijsje. Je zou wel gek
zijn als je je in dit weer met dikke trui en wijde lange broek op straat zou
begeven.
Toch heb ik dat tijden lang gedaan. De zomer, een tijd waarin bijna iedereen met
een glimlach in een korte broek met een shirtje of in een rokje of jurkje
springt. Ik moest er – en denk ik vele mensen met mij die zich onzeker voelen
over of afkeurend staan tegenover hun lichaam – niet aan denken! Laat staan gaan
zwemmen. Stel je voor: ík in een zwempak. No way.
Dus vervolg je je weg op straat gehuld in de wijdste en daarbij warmste kleding.
Je hebt het idee daarmee verhuld te zijn, en vermijd voor het gemak maar even de
wetenschap dat je je daarmee juist niet verhuld, maar heel erg laat zien: Wie
loopt er nu in zulke kleding, in zulk warm weer? Al zou je moeten denken: “Wat
kan mij het schelen wat een ander ervan denkt?”, maar mensen die met deze
onzekerheid of zo’n lichaamsbeeld zitten, die denken doorgaans niet op die toer.
Dus zit je de zomer uit, verstopt, verhit en gefrustreerd.
Los van dat het lichamelijk heel ongemakkelijk is je zo te verbergen, het voor
iemand die het gewoon alleen heel warm heeft en niet met zijn lichaam bezig is
onbegrijpelijk is, geeft het ook precies aan dat er iets flink mis is en wat je
wél zou moeten doen. Je zou het weer kunnen vervloeken, maar zomer wordt het
toch wel. Je zou dit jaren kunnen blijven doen, maar ergens weet je dat je
daarmee je kop in het zand steekt - en dan natuurlijk niet op het strand, met al
die blote lichamen. Je zou kunnen emigreren naar een stuk van de wereld waar het
altijd koud is, maar die gedachte geeft alleen maar extra aan hoe omvattend en
tegelijk belachelijk dit gevoel en vooral je gedrag daarbij is.
Wat je eigenlijk zou moeten doen is datgene aanpakken waar het in de kern mis
zit: Je zelf- en/of lichaamsbeeld. Dat walgelijke gevoel dat je kan overspoelen
als je je lichaam ziet omdat er meer huid te zien is, of je lichaam versterkt
aanwezig voelt door de warmte. Dát zou moeten verdwijnen. Niet de zon. Niet de
warmte. Aangaan dat dat beeld van jezelf en je lichaam niet klopt en er zeker
niet je gedrag en kledingkeuze op aan hoeft te passen. Dat kost tijd en energie:
de spreekwoordelijke bloed en tranen, maar het bespaart je in ieder geval wél
heel veel zweet.
Regina
Geen eenzame vogel
(25-04-2007)
Eens komt de tijd dat je de stap gaat zetten. Je gaat op jezelf wonen. Het huis
uit. Op kamers. Je slaat je vleugels uit, zoals ze dat romantisch en
spreekwoordelijk zeggen.
Wat ervoor zorgt dat je die stap gaat zetten, is voor iedereen anders. Misschien
maak je de keuze wel voornamelijk vanuit praktisch opzicht en ga je studeren in
een andere stad. Misschien word je er - bijvoorbeeld vanwege een vervelende
situatie in je ouderlijk huis - wel toe gedwongen. Misschien ben je die drempel
over gekomen die de overgrote meerderheid wel een keer passeert: Je komt op het
moment dat je er gewoon helemaal klaar voor bent.
Maar dan. In de oude situatie zat je met je eetstoornis. Misschien koester je
ergens de hoop dat, ‘als alles anders is’, in een nieuwe situatie, in een nieuwe
leefomgeving, daarmee je eetstoornis ook zal veranderen of het liefst
verdwijnen. Vooral in het geval van spanningen binnen je ouderlijk huis, zou je
dat misschien verwachten en/of er in ieder geval op hopen.
Aan de andere kant is er misschien juist wel angst: Kan ik het wel alleen? Wat
als ik helemaal de vrije hand heb? Wat als ik geen controle van mijn ouders
en/of familie meer heb? Zal ik dan de snoepkast ongegeneerd en ongehinderd
plunderen? Zal ik mezelf dan juist niet meer kunnen tegenhouden in het vasten
omdat ik niet vanuit plichtsbesef nog wel eens een vorkje mee prik? Is het eind
dan niet helemáál zoek? Kortom: zijn je vleugels, die je uit wil gaan slaan, wel
sterk genoeg?
Ik denk dat het erom gaat dat je voor jezelf zorgt, waar je ook woont. Als je
op jezelf bent, heb je weliswaar minder controle van buitenaf, maar kan je
misschien ook vanuit jouw persoonlijke sfeertje, op je eigen – gezond opgezochte
– manier de situatie creëren dat je je veilig en thuis genoeg voelt om die zorg
voor jezelf op je te nemen en zelf voor gezonde controle te zorgen. Misschien
heb je daar hulp bij nodig, maar daar is niks mis mee. Misschien weet je het
soms even niet, ook daar is niks mis mee. Zoals je dat ook wel eens zult hebben
met familie om je heen, zal je dat ook wel eens hebben als je op jezelf woont.
Vraag hulp, zoals dat in elke situatie geldt. Je bent dan wel ‘op jezelf’ als je
eenmaal die vleugels hebt uitgeslagen, maar je bent evengoed niet alleen.
Regina
Sla eens een stapje over
(28-03-2007)
Daar
zit je dan. Gedachten razen door je hoofd. Gevoelens gieren door je heen. Of
hetgeen waar je mee bezig bent nu negatief of positief is, ergens wéét je: Het
zou het verstandigst en gezondst zijn om dit met anderen te delen. En wat is
daar een betere en plek voor en welke plaats heeft een lagere drempel dan een
forum met gelijkgezinden en lotgenoten op het anonieme Internet? Toch blijkt dat
vaak makkelijker gezegd dan gedaan.
Iets
delen bij voorbaat al. Dat gaat er al vanuit dat je gedachten aangaat en
gevoelens serieus neemt. Barrière nummer 1. Is het soms niet makkelijker om daar
gewoon niet bij stil te staan en er de tijd gewoon niet voor te nemen? Als je
die gedachten en gevoelens überhaupt al weet te herkennen, natuurlijk.
Dan
het onder woorden krijgen van alles wat er door je hoofd en lichaam spookt. Zijn
er wel woorden voor te vinden? Hoe maak je iets begrijpelijk en tastbaar voor
jezelf? Laat staan voor een ander? Zie daar, drempel nummer 2. Mocht je de
beslissing al kunnen nemen om een topic op het forum te openen voor iets waar je
mee zit, of in een reactie op een ander iets van jezelf bloot te willen geven,
kan het soms wel minuten lang - en in sommige gevallen dagdelen lang – duren
voor je het daadwerkelijk op digitaal papier krijgt.
Maar
dan misschien wel de grootste barrière: De actie van het delen. Het klikken op
de magische knop ‘verzenden’. Want: wat volgt? Je hebt nu je gevoelens herkend
en erkend. Je hebt ze onder woorden gebracht. En nu sta je op het punt ze te
delen met je lotgenoten. Alarm! Wat zullen ze antwoorden? Met wat voor reacties
komen ze? Zullen ze überhaupt wel reageren? Zal ik ze ergeren? Zal ik ze
triggeren? Zullen ze het wel willen lezen? Val ik ze er niet mee lastig? Dat van
mij, is dat wel belangrijk genoeg? Van de angst voor de reacties heb je nu de
sprong gemaakt naar de grote vraag: “Mag ik wel ruimte innemen?”
Ik
heb een idee. Als je nu stap 1 en 2 doorloopt en bij stap 3 gewoon standaard
zegt: “Ho! Ik zit hier op een forum voor lotgenoten. Er is hier sowieso ruimte
gemaakt voor iedereen. Ik weet dat dit delen voor mij verstandiger en gezonder
is dan ermee te blijven zitten, alleen. En misschien herkennen anderen zich wel
in mijn verhaal en helpen de reacties ook hen. En al gaat het alleen maar om het
feit dat ze zeggen dat het stoer is om iets van mezelf te laten zien.” De
twijfel bij stap 3 gewoon eens overslaan en dóen.
Misschien heb je dat al wel eens gedaan of heb je die twijfel weten te
bevechten. Weet je nog wat voor gevoel je daarvan kreeg? Voelde je opluchting?
Bleken je angsten niet terecht? Of voelde je je eerst heel onrustig maar viel
het een tijd later nog wel mee? Of werd het je achteraf toch teveel en heb je
het onderwerp verwijderd? Dat laatste is misschien het vervelendst wat er kan
gebeuren. Nou, als je daar moord en brand om zou hoeven schreeuwen... Dat is op
zijn hoogst achteruitgang maar als het goed is, leer je er weer van voor de
volgende keer en misschien pikken anderen dáár zelfs ook iets van mee.
Just do it!
Regina
Woorden vol van gewicht
(27-02-2007)
Bij een vereniging als VEN kom je veel verschillende mensen tegen. Mensen in
verschillende stadia van hun proces. Mensen nog in gedeeltelijke ontkenning of
midden in hun eetstoornis, mensen die bezig zijn zichzelf te verkennen, in
therapie, in acceptatie. Mensen die bezig zijn zichzelf te verliezen of juist te
vinden. Mensen die vechten, mensen die opgeven. En ook: mensen die bezig zijn te
genezen of genezen zijn.
Dit laatste is altijd een uitspraak waar veel gewicht op ligt en dat bedoel ik
in dit geval compleet in figuurlijke zin. Om te zeggen dat je beter en genezen
bent, is veel moed nodig. Door dat te zeggen, laat je een deel van je verleden
symbolisch verwoord achter. Dat idee kan eng en onzeker zijn, al staat buiten
kijf dat het goed voor je is dat punt te bereiken. En er zijn veel overwegingen
voor nodig. Sommigen zeggen zelfs dat het niet kan, dat je nooit helemaal kan
genezen van een eetstoornis. Ik denk dat het hem erin zit wat je daaronder
verstaat. Kunnen bepaalde gedachten wel helemaal uit je systeem verdwijnen ?
Kunnen die tabellen vol calorieën, lijsten van regeltjes en angsten – in grote
of kleine mate – wel helemaal oplossen in het niks? Is dat pas genezing? Of ben
je er dan gewoon minder – zo min mogelijk of bijna niet – mee bezig? Ben je pas
genezen als je compleet tevreden bent met jezelf? Is dat wel reëel? Zijn er wel
mensen ‘compleet tevreden’ met zichzelf? Met andere woorden: Wat kan je
accepteren als ‘normaal’? Ik denk dat dat een persoonlijke afweging is, die veel
tijd en, zoals eerder gesteld, overwegingen nodig heeft.
En dan, wie kan je zeggen – als je er eenmaal een persoonlijke definitie van
gevonden hebt – of je genezen bent of niet? Waar de één al tevreden mee is – als
het ook maar iets beter gaat – kan een ander nog zien als heel ziek. En waar de
één vindt dat er nog genoeg werk aan de winkel is, zou de ander zeggen: “Je bent
er al!” Een combinatie van eigen inzicht en de reactie van omgeving en
hulpverlening is denk ik wat het complete plaatje maakt.
Ik vind het in ieder geval een verschijnsel even mooi en bijzonder als het
ongrijpbaar is. Om een ander te zien opbloeien en heel zien worden: Ik kan er
nog steeds een open mond van respect en ogen vol van verwondering van krijgen.
Ik heb veel mensen gezien in verschillende stadia van hun ziekte en genezing en
kan er soms nog steeds niet over uit hoe zo’n proces loopt. Het vergt veel
energie, moed en kracht en het kan ook erg helpen als de zeilen van
omstandigheden flink wind vangen. Om zoiets te mogen meemaken, van dichtbij of
wat verder weg, is zo bijzonder en motiverend dat ik zou willen dat het in
woorden te vangen is opdat ieder die motivatie en inspiratie altijd tot zijn
beschikking heeft. Maar dit proces te kunnen grijpen en vatten in woorden, lijkt
me erg moeilijk. Zoals de oorzaken en de uiting van de ziekte, is het proces van
beter worden even zo persoonlijk.
Tijdens mijn vorige keer therapie vielen die woorden, vol van gewicht. Ik had
het er met mijn therapeut over hoe me sommige dingen de afgelopen periode gelukt
waren, zoals dichter bij mijn minimum komen. “En als je dan die dingen hebt
gedaan en dit en dat hebt gegeten,” vroeg hij, “raak je dan nog wel eens in
paniek?” Mijn antwoord was luid en duidelijk. “Nee.” Hij keek me even aan met
zijn inmiddels zo vertrouwde blauwe ogen en glimlachte breeduit daarbij.
“Misschien ben je wel beter.”
Ik schrok ervan. Niet dat de betekenis ervan me beangstigt zoals ik hierboven
heb aangegeven hoe die woorden zouden kunnen voelen, integendeel. Maar dat
hij dat opperde, los van of hij het serieus bedoelde of er al van is
overtuigd, zegt heel veel. Hij heeft mij, net als ik anderen, in vele stadia
gezien. Hij heeft veel met me te stellen gehad. En dan die woorden, dat idee,
ineens uit zijn mond. Ik kan er niet over uit.
Of het zo is, zal de tijd zeggen. Net als bij anderen zijn dat woorden waarvan
de betekenis voor mezelf met die factor tijd komt, in combinatie van de woorden
en de tijd van mensen om me heen. Misschien kan het helpen voor jezelf duidelijk
te krijgen wat genezing voor jou persoonlijk betekent, te peilen wat die
definitie voor een ander inhoudt en bovenal kan het misschien helpen om de
succesverhalen van anderen te horen en die van jezelf te delen. In de komende
themachat is daar in ieder geval de plek en de tijd voor en het is er voor jou
om dat te nemen.
Regina
Brief aan
papa.
(februari 2007)
Hoi pap,
hoe is het nou? Het is lang geleden, sorry daarvoor. Hopelijk begrijp je dat ik
je niet vergeten was. Ik wist gewoon niet wat te zeggen, dat heb ik vaker. Dat
duurde achttien jaar ja, maar hier ben ik dan eindelijk. Gaat het goed daar? Heb
je het naar je zin? Zie je mama wel eens? Of spreken jullie elkaar nooit?
Jullie foto's staan hier op tafel, soms brand ik er een kaarsje bij. Waarom weet
ik niet, het schijnt een mooi gebaar te zijn en ik weet verder ook niets beters.
Jullie hebben prachtige kleinkinderen, je moest eens weten. Iris is zes en denkt
te veel na voor iemand van haar leeftijd. Maar oh, wat is ze mooi joh. Ze vindt
pannenkoeken vies en is verliefd op Jim, uit de klas. Soms vraagt ze naar jullie
en als de sterren heel helder zijn zwaait ze richting de hemel. Er wordt wel aan
je gedacht hoor, hier. Haar zusje Marit is drie. Ze heeft mijn ogen pap, en mijn
onderlipje. Het is een eigenwijsje, die kleine. Maar ze lacht veel, ze lacht
bijna altijd. Was ik vroeger ook zo vrolijk? Ik weet het niet meer goed, vroeger
lijkt zo lang geleden. Dat is het natuurlijk ook. Ik kan nog wel terug halen hoe
je rook, al lijkt dat me steeds meer moeite te kosten. Tijd is een vreemd ding,
het stoort me dat het zo ongrijpbaar is. Ik wil momenten stil zetten, invriezen,
en voor eeuwig bewaren. Maar hoe?
Ben je trots op me, pap? Hoe vind je dat ik het doe hier op aarde? Ik doe heel
goed werk, en ik vind het waanzinnig. Had je dat voor ogen toen je me vertelde
altijd lief te zijn voor anderen?
Het is af en toe wel moeilijk, zo zonder jullie. Doet idioot veel pijn, af en
toe. Nee, dat is geen verwijt. Het was geen keuze dood te gaan, weet ik toch.
Besef dat ik, waar het jullie betreft, gewoon een heel klein meisje ben dat haar
ouders gruwelijk mist. Nu ik je toch spreek.. ik wilde nog wat vragen. En pap,
eerlijk zijn, alsjeblieft.
Is het heel erg dat ik soms een klein leugentje vertel? En soms een iets groter?
Gewoon om ergens onderuit te komen? Dat ik wel eens nagellak gestolen heb? En
sokken, en pennen? En verkeersborden? Dat ik weinig contact wil met jouw kant
van de familie, omdat ze te veel op jou lijken? Dat ik geprobeerd heb mezelf te
vermoorden door middel van stoppen met eten? Dat ik jullie intens heb gehaat,
omdat ik jullie zo miste? Dat ik 125 kilometer verderop ga wonen, puur uit
egoïstische overwegingen? Dat er geen man ter wereld is die zich met jou kan
meten? Is dat allemaal heel erg? Of zelfs maar een beetje?
Ik moet nu stoppen, ik schrijf je snel weer. Als je mama nog ziet, doe haar een
kus van me. En zeg dat het me spijt, ze zal weten wat ik bedoel.
Veel liefs,
je jongste dochter.
Debby
Sprong. (17 januari
2007)
Wanneer
het keerpunt was weet ik niet goed. Misschien was het die bloedmooie zomerdag
in het park, toen nichtje M. haar kleverige handjes op mn gezicht legde en me
verliefd vertelde dat ze me lief vindt. Misschien was het wel tijdens het
familiefeestje, toen ik zoekend om me heen keek, in de ene hand een glas wijn
en in de andere een zonnestraal, en besefte dat ik dol was op de mensen die me
omringden en net zozeer, zij op mij. Misschien waren het wel die dagen op het
werk, elke dag op het werk, waar ik zoveel goeds doe dat ik gewoonweg niet meer
vol kan houden dat ik slecht ben. Misschien is het de tekening op de koelkast
gemaakt door nichtje I. of de manier waarop het regent terwijl ik in een warm
bed lig of het genot van de mooie boeken die door mijn huis slingeren en voor
altijdaltijdaltijd de mijne zijn of de avonden/nachten dansen en drinken met
vriendjes en vriendinnetjes want wherever you are, it is your friends who make
your world. Misschien is dat het wel.
Misschien maakt dat alles dat ik zo stevig in mijn schoenen sta, niks geen
wankel evenwicht meer, dat ik alles wat ik hierboven noem oftewel alles wat me
lief is achterlaat om 125 km verderop aan een droombaan in het ziekenhuis te
beginnen. Weg van mijn familie, mijn vrienden, mijn werk.. weg van alles wat nu
mijn leven is om iets te doen waarvan ik niet eens weet of ik het kan. Want
stel nou dat alles mis gaat? Stel nou dat ik in al mijn enthousiasme en ambitie
mezelf zo voorbijloop dat ik kwijt raak waarom ik dit ooit wilde? Stel nou dat
niemand me aardig vindt, dat er in Rotterdam geen leuke barmannen zijn, dat mn
nichtjes vergeten wie ik ben, stel nou dat het daar vaker regent dan in
Amsterdam? Wat moet ik dan?
Leven uit liefde. Waar ik die zin voor het eerst las of hoorde kan ik me niet
herinneren. Maar het is me altijd bijgebleven. Ik leef uit liefde, liefde voor
de dingen die ik doe en liefde voor de mensen om me heen. Maar voor het eerst
in 25 jaar kan ik daar iets aan toevoegen: leven uit liefde voor mezelf. Doen
wat ík wil, omdat mijn wereld best eens om mij mag draaien. Ik als middelpunt
van alles, het zou een welkome verandering zijn.
Wat ik ga doen maakt me doodsbang en supertrots tegelijk. Misschien wordt het
alles wat ik wil dat het zal zijn. Misschien vlucht ik binnen zes maanden met
de staart tussen de benen terug naar Amsterdam, ik weet het nog niet. Maar wat
ik ook doe, ik doe het uit liefde.
Omdat ik van me hou.
Debby
Over de kip en het ei (27 december 2006)
Als een welbekend cliché hangt deze uitspraak als titel
boven deze column. Een meer passende benaming kon ik niet vinden voor wat ik
kan schrijven over het onderwerp van de komende thema-chat: Een eetstoornis in
combinatie met een ander klachtgebied, zoals een persoonlijkheidsstoornis of
een depressie. De uitspraak slaat wat mij betreft de spijker op zijn kop.
Leven met een eetstoornis is een grote strijd op zich. In veel gevallen komen
daar nog andere klachten bij kijken. Bij deze zin alleen al, komen de kip en
het ei om de hoek kijken. Want komen die klachten er nog bij, of komt de
eetstoornis voort uit juist díe klachten? Een ingewikkelde vraag met een even
ingewikkeld antwoord, zoals bij het bijna filosofische vraagstuk: Wat was er
eerder, de kip of het ei?
Ik heb me dit op verschillende manieren en in verschillende situaties kunnen
afvragen. Bij goede vriendinnen zie ik de strijd in een
persoonlijkheidsstoornis – zelfs ook met depressieve klachten – met daarbij een
eetstoornis. Al is de één er veel verder in dan de ander, de complexiteit is
dezelfde. Steeds heen en weer geslingerd worden tussen wat er bij de
persoonlijkheidsstoornis hoort of bij een eigen gezond stuk, en steeds weer die
vraag waar de neiging naar rommelen met eten vandaan komt. Steeds weer afvragen
waarom het eten misgaat zodra de depressie weer meer op komt zetten of is het
tóch zo dat de somberheid zo erg toe neemt, omdat het eten misgaat? Ik kan me
zo voorstellen dat je figuurlijk misselijk wordt van het boksbal-effect. En dat
terwijl het allemaal al moeilijk genoeg is.
Los van dat je zelf elke dag weer voor een vraag staat, kan het voor
hulpverleners ook een hele goede – en moeilijk te beantwoorden – vraag zijn wat
er nou aan klachten ten grondslag ligt en dus, erg belangrijk, wat er nou als
eerst aangepakt moet worden. Want leg je veel nadruk op het behandelen van de
persoonlijkheidsstoornis of depressie, dan grijpt het eten je naar de keel. Wil
je eerst het eten aan pakken, dan grijpen de klachten die bij de andere
ziektebeelden horen je al snel naar je keel. Het lijkt net alsof je in die
situatie hoe dan ook nog maar moeilijk adem krijgt.
Wat ik denk, en heb ervaren, is dat het in alle gevallen een individueel
vraagstuk is en dat er een persoonlijk antwoord wacht. Hoe erg het één met het
ander verweven is en hoe dat vervolgens aangepakt moet worden, lijkt me voor
niemand gelijk.
In mijn geval bijvoorbeeld – want ik heb ook een ‘dubbel-diagnose’ – bestaan de
kip en het ei tegelijk en het heeft láng moeten duren voordat ik de juiste
behandeling kon vinden. De aanpak met succes bleek voor mij (want dat weet je
pas achteraf) eerst weer leren eten in een gespecialiseerde kliniek. Zien dat
er niet gebeurt wat ik dacht als ik weer zou gaan eten. Leren hoe je een
boterham smeert, hoe je je eten op je bord moet scheppen. Die praktische dingen
wist ik gewoonweg niet meer. Dit ervaren en dit leren was onmisbaar voor mij.
Maar lang moest daar de nadruk niet op liggen. Zodra ik doorkreeg dat mijn
vastgeroeste aannames niet klopten op de korte termijn, kon ik terecht komen in
de behandeling waar ik nu nog hard in bezig ben: alle klachtgebieden tegelijk
op de schop. De kip én het ei bij kop en staart beetpakken, zo gezegd. Maar:
dat is persoonlijk. Vast niet voor iedereen is dit de weg die moet worden
begaan.
Wat je, denk ik, kan doen om erachter te komen wat het passende antwoord is op
jouw vraagstuk: Wees eerlijk over je klachten, naar jezelf toe en ook naar de
hulpverlening. Het is een ondekkingstocht, maar na heel wat dingen ervaren en
bij anderen gezien te hebben, weet ik: De grote X op de schatkaart kan er ook
voor jou zijn. Wie weet dat er in de thema-chat ruimte is om alvast naar de
wegen die naar die plek leiden te zoeken, en de vragen te stellen die daarvoor
nodig zijn.
Regina
Woensdag
Weegdag
(12-12-2006)
Om half 8 gaat de wekker.
Hoewel normaal deze nog minimaal twee keer wordt uitgedrukt, sta ik nu binnen
een paar seconden naast mijn bed.
Mijn woensdagochtendritueel is begonnen.
Raar genoeg kan dit ritueel verschillende vormen aannemen afhankelijk van mijn
gewicht van de vorige woensdag.
Deze week heb ik een 'eis', wat inhoudt dat ik meer dan de wekelijkse 5 ons
deze week had aan moeten komen.
5 over half 8 schuifel ik naar beneden voor mijn eerste sigaret, en kopje
koffie. Als ik deze week geen eis had gehad (en dus 'gewoon' 5 ons aan had
moeten komen) was mijn eerste gang naar de wc geweest, nu echter houdt ik het
maar even op. Met koffie op de nuchtere maag moet ik echter altijd oppassen, want
hoe wonderbaarlijk het ook is, heb ik altijd binnen een uur resultaat op de
toilet, en dat kan ik nu niet gebruiken. Ik vertrouw echter op mijn kracht het
op te kunnen houden voor een uurtje...
Aangezien zo vroeg er nog geen groepsgenoten aanwezig zijn, schiet ik om kwart
voor acht weer naar boven toe om me binnen noodtempo te gaan douchen en aan te
kleden. Om enkele minuten later weer spik en span beneden aanwezig te zijn.
Woensdagochtend heeft altijd een andere sfeer. Het is de dag waarop beslissingen
vallen over je evt. verdere behandeling, de dag waarop mensen met time-out gaan
omdat ze hun gewicht niet hebben gehaald (en een derde waarschuwing krijgen),
de dag waarop een behandeling kan stoppen omdat je een drie-maanden gewicht
niet hebt behaald, of omdat je een derde time-out (= einde behandeling) hebt
gescored.
Het is de dag waarop de emoties boosheid, verdriet, blijdschap, teleurstelling
op en top aanwezig zijn. Waar mensen huilend of lachend de behandelkamer
verlaten.
Deze spanning is dan ook voelbaar het laatste uurtje voor het grote moment.
Om 8 uur stipt begint het ontbijt, hier mag niet van afgeweken worden. Op dit
tijdstip dien je te beginnen aan de eerste hoeveelheid van de soms vervloekte
eetlijst.
Voor mij is woensdags dan ook altijd lastig, zeker als ik een eis heb. Iedere
ochtend drink ik standaard een beker thee en een beker melk, hiervan afwijken
kan op een woensdag gevolgen hebben. Echter vanaf de eerste week drink ik op
woensdag altijd maar 1 van beiden, die eerste week was ik zo bang 'teveel'
binnen een korte tijd aangekomen te zijn, dat ik een beker minder drinken
dronk. Want ja, ook drinken weegt en telt mee.
Op het moment dat ik echt scherp qua eisen stond, kwam bij uitzondering daar
wel eens een beker drinken bij, want op dat moment kon ik het goed gebruiken.
Deze week is een twijfelgeval, ik heb dan wel een eis, maar geen enorme (ik
moet 8 ons aankomen) en ik heb deze week ook mijn best gedaan qua eten,
anderzijds kan ik op mijn gevoel niet afgaan, want ik heb iedere week het
gevoel veel aangekomen te zijn, terwijl het tegendeel onderhand wel bewezen is.
Ik besluit echter toch de tweede beker te nemen.
Half negen, ontbijt is onderhand afgelopen en de eerste mensen gaan richting de
behandelkamer, om geen rij daar te creëren blijven de meeste mensen in de
centrale hal wachten tot ze aan de beurt zijn.
9:40, ik ben aan de beurt, wandel doodsbenauwd en zeer onzeker de behandelkamer
in, kleed me uit en ga op de weegschaal. Precies 8 ons... Blijdschap, een
time-out weten te voorkomen. Verdriet, 8 ons is wel weer erg veel wat er bij
is. Boosheid, ik had niet zoveel moeten eten afgelopen week, en volgende week
mag het weer een stuk minder, want ik heb geen eis meer (ofwel ik moet 5 ons
aankomen), Onzekerheid: hoe moet ik het volgende week nu weer gaan oplossen?
Op het moment dat ik in de hal terugkom wordt er om me heen gevraagd: En, en,
en? Met een wrange glimlach vertel ik genoeg te zijn aangekomen, van alle
kanten wordt ik gefeliciteerd. Verdrietig loop ik naar boven, ik moet even aan
het idee wennen weer bijna een kilo te zijn aangekomen. Natuurlijk het is
nodig, maar op dit moment hoeft het even niet...
Annemiek
Hoor wie klopt
daar, kinderen..?
(22-11-2006)
De feestdagen staan voor de deur. Sinterklaasavond, de kerstdagen, Oud en
Nieuw. Doen we de deur open, of laten we ze buiten staan? Er zijn veel manieren
om de feestdagen te beleven en minstens zoveel manieren om ze door te maken.
Dat is voor ons allemaal wel zo. De één kijkt uit naar het gezellig samenzijn
met familie en vrienden en de ander kijkt juist tegen het ‘verplichte’ element
daarvan op. De één vindt het commerciële rond deze dagen verschrikkelijk,
terwijl de ander geniet van het versieren van huis en haard. Voor de één zijn
het tijden met een religieuze betekenis en voor de ander betekenen deze dagen
juist helemaal niks.
Voor mensen met een eetstoornis komt daar nog een laag onder. Want het zijn
feestdagen en bij een feest, hoort eten. Allerlei seizoensversnaperingen
krijgen traditiegetrouw hun opmars. Eten heeft ook een sociale functie:
gezellig bij elkaar komen voor het kerstdiner, warme chocomel met speculaas bij
de haard op de avond van de Sint, het nieuwe jaar met elkaar inluiden onder het
genot van oliebollen en champagne. Waar iemand uit kan kijken naar die
opeenstapeling van lekkernijen, is het voor iemand met een eetstoornis niet
verwonderlijk dat deze dagen gepaard kunnen gaan met paniek en zorgen.
Voor mij persoonlijk is deze tijd een duidelijk voorbeeld van mijn vooruitgang.
Vorig jaar vierde ik Sinterklaas in de kliniek. Toen móest ik een stuk
banketletter eten en warme chocomel drinken. Met dikke tranen en diepe angst,
werkte ik het daar letterlijk weg. En nu. Nu mág ik gevuld speculaas. Nu mag ik
taaitaai, pepernoten en feeststol. Deze week kreeg ik van een vriendin mijn
naam in chocoladeletters. Ik voelde me niet meteen benauwd of in paniek, ik
barstte niet in tranen uit. Toen ik door kreeg wat er in de zorgvuldig
ingepakte rechthoeken zat, kreeg ik een grote glimlach op mijn gezicht. Zoiets
is een léuk cadeau. Niet is het altijd even makkelijk in mijn gevoelswereld en
niet gaat alles altijd zonder figuurlijke slag of stoot, maar dit voorgaande
kan ik met zekerheid zeggen. Van met harde hand niet mogen, naar angstig
moeten, naar wél mogen – en bij twijfel, gewoon dóen.
Mijn deur staat alvast open. Het gaat niet alleen om eten, deze dagen. Het gaat
ook om terugkijken op het afgelopen jaar, het vieren van de mensen om je heen
in hun gezelschap, het koesteren van overwinningen en gebeurtenissen van het
afgelopen jaar en het benoemen van doelen die nog open staan voor het nieuwe.
Ten minste, dat betekent het onder andere voor mij. Wat betekent het voor jou?
Staat jouw deur al op een kier, of houd je hem op de knip?
Regina
25-10-2006
You love, you learn
Een prodent-smile bij gedachten aan hem. Letterlijk
giebelen om zijn grapjes. Jezelf moeten behoeden voor staren. Hij zal wel
denken dat ik gewoon zo ben; een giechelende eeuwige puber. Omdat ik al tijden
daarin lijk te veranderen in zijn omgeving. Ik voel dus een heleboel.
Maar – en die is er uiteraard – ik dénk ook een heleboel. Want, wat moet ik
hier toch mee? Mijn aanvankelijke reactie is inhoudelijk gezien het kleinste
woord in ons woordenboek, namelijk: Niks.
Ten eerste, hij ziet me aankomen! Deze gedachten worden misschien door een
ander onder het kopje ‘onzekerheid’ geplaatst. Ik kan me zo voorstellen dat de
laatste waar hij op zit te wachten, ik ben. Verstandelijk gezien weet ik wel
dat ik niet de meest objectieve persoon ben die dit kan zeggen, maar het gaat
wel door me heen. Wat zou hij in hemelsnaam in me moeten zien?
Daarnaast, misschien nog wel een belangrijkere overweging: Ik ben nog keihard
bezig in therapie. Ik ben al een heel eind, maar ik zal nog veel moeten
veranderen en hard moeten vechten voordat ik kan zeggen volledig gezond te
zijn, als die mogelijkheid er sowieso al wel in zit. Zo zit ik bijvoorbeeld nog
niet op mijn minimum en zal ik nog een aantal hardnekkige overtuigingen over
mezelf moeten overwinnen. De tijd en de middelen heb ik daar wel voor, maar is
dat te combineren met iets zoals verliefd zijn, en daar vervolgens – ik durf er
nog niet eens over na te denken, laat staan op te hopen – iets mee te doen, wat
dat iets dan ook mogen zijn.
Met heel veel moeite probeer ik me er iets bij voor te stellen. Een beetje
oneerlijk misschien, maar automatisch gaan mijn gedachten naar eerdere
relaties. Ik heb – nog niet zo lang geleden – stellig gezegd: “Ik ben niet
iemand voor een relatie.” Ik heb mijn verleden als een niet te ontkennen
bewijsstuk. Ik zou een rechtzaak met twee vingers in mijn neus winnen. Ik heb
menig hart gebroken en ik wil geen langer strafblad. Maar – deze keer een wat
positievere nuance – in al die relaties was ik ziek. Erg ziek. Ook al ben ik er
nu nog niet helemaal, de situaties toen zijn niet te vergelijken met die van
nu. Toch kan ik dat, en de angst daarbij, niet loslaten.
Allemaal twijfels, overwegingen, gedachten. Nu weer even terugspoelen naar het
gevoel. Want ik voel en weet ergens: deze gevoelens zijn gezond. Ook anderen
die mij hierover horen praten, zien en zeggen dat. De blik die ik krijg als ik
weer eens, misschien tot vervelens toe, over hem begin wordt omschreven als
gezond en puur. Ik zou er op zo’n moment eigenlijk zelf eens een spiegel bij
moeten pakken, want ik heb geen idee hoe dat eruit ziet. Al moet ik zeggen dat
al dit gezonds me ergens ook wel bang maakt; het is ontzettend onzeker, zó
anders dan ik het bij jongens de afgelopen jaren heb gehad.
Ik koester deze gevoelens al een hele tijd. Dus als er niets mee zou gebeuren
(ergens gaat de vraag door me heen of hij misschien wel gewoon helemaal niet op
meisjes valt, dan zou alles in één klap zijn opgelost!) zou dat dan zo erg
zijn? Ik heb in ieder geval de bevoorrechte positie zoiets moois te voelen en
dat is al bijzonder genoeg op zich.
Dus
gebeurt er waarschijnlijk niks en blijf ik zoals al een tijdje lekker stiekem
voelen en mezelf de kans geven dit deel gezond te beleven en ervan te leren.
Misschien dat ik er daarna ooit nog eens over na ga durven denken, ga durven
hopen en dromen.
We’ll see.
Regina
06-10-2006
‘Genieten’ van het uitzicht
Hij fluit tussen zijn tanden door. Het inmiddels zo
bekende geluid verwelkomt me altijd als ik de trap in zijn praktijk beklim. Nog
voor ik de huiskamerachtige ruimte met blauw vloerbedekking binnenloop, zegt
hij: “Hallo, Boot. Koffie of thee?” Mijn behandelaar.
Terwijl hij de waterkoker opzet en koffiemokken pakt, ga ik op de weegschaal
staan. Dat is de routine van de therapie. Eerst wegen. Ik druk dan de
electrische en geijkte weegschaal aan, en druk wat andere knopjes in.
Adult/child/athlete. Male/Female. Length.
Twee
weken terug regende het keihard buiten en zodra ik op de weegschaal ging staan
en wachtte tot het digitale getal op het schermpje verscheen, hoorde we het
buiten onheilspellend onweren. We keken elkaar aan en moesten ontzettend
lachen. Na het wegen waar het eigenlijk echt om draait: de therapie, het
gesprek.
Hij is streng. Als ik met mijn mimimimimi-Bassie taaltje praat, zegt hij: “Ja,
zo kan ik je niet verstaan hoor, praat eens normaal. Zo luister ik niet naar
je.” Zodra ik mezelf onbewust klein maak: “Ontspan je schouders!”, soms wel 5
keer in een gesprek. “Euhm, euh, ja euh, nou euh..” , gaat er bij hem niet in.
Het beestje bij de naam noemen, dat is wat we doen. En een groeilijn van 5 ons
aankomen per week, voor minder doen we het niet.
Het is het soort man dat je voor de open haard kunt treffen met op zijn schoot
een boek, een glas cognac in de ene en een sigaar in de andere hand. Tenminste,
dat is wat ik me bij hem voorstel. We kunnen vaak ook lachen om wat ik me nu
weer in mijn hoofd heb gehaald en dat is prettig. Want hoe moeilijk zulke
diepgewortelde gedachten ook zijn, het helpt om ze met een lach te relativeren.
Dan zitten we tegenover elkaar aan zijn robuste grote IKEA-achtige tafel en
vertel ik wat mijn gedachten, overtuigingen en voorspellingen zijn en dan zegt
hij: “Oh dear, oh dear!”, gevolgd door een diepe lach. Geen veroordelende lach,
maar een relativerende. Ik heb dan meteen door wat ik nu eigenlijk zeg en waar
de “fout” zit.
Hij ziet ook hoe eng en moeilijk sommige dingen voor me zijn. Vorige week kreeg
ik een exposure-opdracht mee om door mijn diepste angst heen proberen te komen.
Hij vatte het mooi samen: “Ik besef dat ik je nu, als ware je iemand met
hoogtevrees, op het hoogste flatgebouw wat ik kan vinden zet om je te laten
‘genieten’ van het uitzicht.” How right he was, maar ik heb het wel gedaan.
Ik ken hem nu meer dan een jaar. Als ik terug kijk naar hoe ik was toen ik bij
hem kwam en hoe ik nu ben, kan ik me dat bijna niet voorstellen. En gelukkig
hebben we nog veel tijd om alleen maar nog verder te komen. Want dat zal het
gaan kosten: tijd, véél tijd en véél therapie. En met zekerheid ook veel bloed,
zweet en tranen. Maar die ingrediënten heb ik allemaal, genóeg.
The only way to go is up.
Regina
29-08-2006
Lichaam en Geest
Ik zat laatst op een terrasje in de zon.
Terwijl ik genoot van een borreltje en de
uitbundige zonnestralen schoof er een aparte verschijning bij mij aan.
Plotseling keek hij mij recht in de ogen en zei: “ik weet dat jij je afvraagt
waarom ik zo brutaal ben om zomaar bij je aan te schuiven, en het is prima dat
jij je dat afvraagt, want dat betekent dat je iets van me wilt weten en dat wil
je toch, nietwaar?”
Ik keek hem aan zonder verder te reageren en hij
zei: “je zit hier, neemt me op en vraagt jezelf misschien wel af wat een
gedrocht als ik jou zou kunnen vertellen. Ja, jij ziet er aan de buitenkant
goed uit, maar hoe zit dat van binnen? Wat denk je en voel je? Maakt je mooie
uiterlijk je gelukkig van geest?
Als kind zag ik er altijd al anders uit en mijn ouders leerden mij dat ik er
met een uiterlijk als het mijne verstandig aan zou doen om een gezonde geest te
creëren en vervolgens te leren die geest over mijn lichaam te laten regeren,
zodat ik een compleet en gelukkig mens zou kunnen zijn.”
Hoezo, de geest laten regeren over het lichaam,
vroeg ik?
En hij sprak verder: “als je leert, je geest over
je lichaam te laten regeren dan leer je ook je lichaam te accepteren als iets
wat er bij hoort en waar je gelukkig mee kunt zijn. En ik wist al heel snel dat
ik dat kon leren, want je kunt in het leven heel veel dingen leren, en alles
wat je kunt leren levert nieuwe inzichten en begrip op, ja toch?
En dat jij met je mooie gezichtje hier zit en naar
me luistert, is min of meer het juiste. Daar kun jij misschien wat van leren.”
Oh ja, vroeg ik?
Ja, zei hij, want omdat ik mijn geest over mijn
lichaam kan laten regeren kan ik dus een gelukkig en tevreden mens zijn, zonder
mezelf te storen aan wat anderen over mijn uiterlijk zeggen of denken.
Daarna schoof hij zijn stoel achteruit en waggelde
weg na een vriendelijke groet ten afscheid.
En ik dacht: als het klopt wat hij zegt dan kan ik
dus leren mijn lichaam over mijn geest te laten regeren en ook een compleet en
gelukkig mens worden, niet dan, nou dan!
* Janneke *
21-05-2006
Pro of anti?
“Vandaag
was verschrikkelijk! Ik heb twee hele rijstwafels op! Ik snap niet hoe ik het
zo ver heb laten komen… Ik voel me zo walgelijk dik nu, morgen mag ik geen
kruimel eten. En als extra straf moet ik morgenochtend eerder opstaan en 4 uur
onafgebroken hardlopen. Elke keer als ik behoefte aan pauze heb, zal ik
terugdenken aan die twee hele rijstwafels en zal mijn motivatie groeien! De
rest van deze avond zal ik besteden aan mijn thinspiration-dagboek. Doen jullie
mee? En hoe is jullie dag geweest? Ik wens jullie veel motivatie toe!
En vergeet niet: Nothing tastes as good as thin feels.”
“Word toch eens wakker!”, is de reactie die de meeste
Anti-ana’s op stukjes van Pro-ana’s als die hierboven hebben:
“In een wereld waar ondervoeding in Afrika voor bolle-honger-buikjes zorgt
en waar oorspronkelijke bewoners van derde-wereld-landen voor een hongerloon-dat-net-genoeg-is-voor-een-schaaltje-rijst
in één werkdag producten maken die wij van ons luxueus-hoge-loon kopen voor een
verduizendvoudiging van het bedrag dat hun hongerloon voorstelt, vind je
de westerse wereld waar overgewicht een epidemie lijkt te zijn en 15 % van
iedereen die aan de welvaartsziekte anorexia lijdt sterft. In die wereld leeft
een groep die zichzelf Ana’s noemen: meisjes die zich bij een 'trots' clubje
onzekere, doodzieke wannabe-anorecten voegen, meisjes die hun lichaam naar de
verdoemenis helpen, omdat ze denken dat ze met uitstekende botten, uitvallend
haar en een in eerste instantie gefakete eetstoornis de wereld beter aan
kunnen. Iedereen die denkt dat Ana een ‘lifestyle’ is: think again!”
In de weblogwereld leven twee bevolkingsgroepen met een
haat-liefde-relatie: Pro-ana’s en Anti-ana’s. Pro-ana’s willen anorexia. Ze
zien het als een levensstijl waar je heel bewust voor kan kiezen. Pro-ana’s
schrijven weblog’s vol over hoe ze gemotiveerd blijven om zo min mogelijk te eten
en zoeken ter illustratie van die weblog’s de ‘mooiste thinspirationplaatjes’
op internet. Hun sites staan dus vol met de meest zieke gewoontes, de
afschuwelijkste verhalen en extreem bewerkte modellenfoto’s en in dat alles
worden ze aangemoedigd door hun soortgenoten. Anti-ana’s zijn tegen deze
levens(jaren) verpestende lifestyle en alle logjes die daarbij horen en
houden daar zelf een weblog over bij. Ze maken de Pro-ana’s belachelijk op beide
soorten logjes en trachten hen tegelijkertijd te overtuigen van de
overheersende negatieve kant die aan hun denkbeeldige perfectie vastzit.
Hoewel de macht en controle in deze situatie overduidelijk
in de handen van de Pro’s ligt (ze doen toch wel wat hen afgeraden wordt en
bovendien zouden de Anti’s zonder hen niet eens bestaan), ben ik fan van de
Anti’s. Anti’s zijn vaak ex-eetgestoorden die dat groepje onwetende en naïeve
fantasten uit hun droom willen helpen, omdat ze weten dat je de wereld helemaal
niet beter aan kan als je uitgehongerd en dun bent en omdat ze weten dat het
diepste dal waar je doorheen gaat als je beseft dat je de controle kwijt bent
zwaarder en moeilijker is dan alle calorieloze dagen bij elkaar. De meeste
anorexiapatiënten realiseren zich pas waar ze mee bezig zijn als ze al lang
niet meer terug kunnen. De Pro’s slaan deze weg bewust in. Ze kiezen heel
bewust voor een dodelijke manier van leven, omdat ze denken op die manier het
meest optimale uit hun leven te kunnen halen. Niets is natuurlijk minder waar.
Maar voor de Pro’s is het de enige waarheid die bestaat.
Surf maar eens door weblogland en kijk eens rond. De
Anti-ana’s bedoelen het echt goed. Ze proberen de Pro’s te behoeden voor de
fout die zij zelf ooit wél gemaakt hebben: stoppen met eten en doen alsof dat
problemen oplost. Ik hoop dat de Anti’s ooit de macht en controle over kunnen
nemen, want de Pro-lifestyle wordt steeds populairder en gevaarlijker.
Ik zie de overeenkomst met collectieve zelfmoordbewegingen wel. Mensen sterven
door de gevolgen van anorexia, dus als je anderen aanspoort tot zoiets, jaag je
hen simpelweg de dood in. Hoe meer slachtoffers van deze sekteachtige beweging
voorkomen kunnen worden, hoe beter. Want zeg nou zelf.. het is toch gruwelijk
dat jonge meiden elkaar aansporen om hun lichaam te verminken, hun gedachten te
laten overnemen door hun zelfgecreëerde ‘monster’ Ana, hun leven te verpesten
en hun toekomst te vergooien? Het is toch vreselijk dat jonge meiden spelletjes
spelen met het lichaam waar ze nog een leven lang mee moeten doen?
Het keerpunt is nog niet gekomen. De Oost-Indisch dove en
blinde Pro’s begrijpen nog niet dat er voor hen geen winst te behalen valt als
de Anti’s de discussies verliezen. Zolang deze meiden dat niet (willen) begrijpen
gaan ze gewoon door.
Iedereen staat machteloos, terwijl zij een wedstrijdje
doodgaan spelen.
Nathalie.
16-01-2006
Baby's; ze zijn zo schattig, zo klein en zo zacht.
Een nieuw wezen, een nieuw leven. Negen maanden lang heb je gewacht en afgeteld
op de komst van je kind. Vlak na de bevalling heb je alle vingertjes en alle
teentjes geteld. Je hebt in spanning afgewacht of je baby in goede gezondheid
is. Al de pijn die je daarvoor misschien gevoeld hebt, verdwijnt wanneer men je
kind op je buik legt. Je bent dan ook trots als je als moeder kunt zeggen: 'dit
is mijn pasgeboren zoon/dochter'. Soms stromen er tranen van geluk, van
ontroering, misschien van opluchting.
Na enkele dagen te hebben verbleven in het ziekenhuis, vertrek je als gezin
naar huis waar het dagelijks leven begint. Bij de ene gaat het vlotjes, bij de
andere moeizamer. Je hebt baby's die mooi doorslapen, je hebt er die uren
liggen te krijsen. Ouders houden zich vast aan het idee dat dat ooit wel
ophoudt.
Na zo'n zeven à acht maanden begint je wonder te kruipen en alles vast te
grijpen waar die aankan. De tijd van het perk en de afbakening is aangebroken.
Het leuke aan die leeftijd is dat ze beginnen te lachen (zonder tanden) .
Daarbij maken ze dan van die lieve geluidjes in woorden als 'boeboe, dada,
gaga' . Ze kunnen ook geen vijf minuten stilzitten, ofwel zwieren ze rond met
alles wat ze vast hebben (uitkijken voor je hoofd dus) ofwel schoppen ze met
die beentjes alle kanten uit waardoor hun poepje aardig op en neer gaat
(daarvoor dienen die pampers dus). Baby's zijn gewoon erg leuk om naar te
kijken, vooral als ze dan nog van die schattige kleertjes en schoentjes aan
hebben.
Als ouder ben je dan ook erg blij als je kind voor het eerst mama of papa kan
zeggen. Het geeft je op een bepaalde manier de zekerheid dat je zoon/dochter
jou als zijn ouder erkent en daarbij geeft het je als ouder een gewoon 'kick
gevoel' als een kind dat voor het eerst tegen je zegt.
Een baby hebben is liefde geven en liefde krijgen, het maakt je gelukkig, na
een moeizame dag, dat je naar je slapende kind kan kijken.
Naast al deze mooie kanten zijn er uiteraard ook de moeilijke momenten. Als je
baby uren aan een stuk door krijst en alles omver gooit wat hij/zij te pakken
kan krijgen, als je peuter niet luisteren wil en ervoor zorgt dat je voor schut
staat in de supermarkt enzovoort, kunnen deze gebeurtenisen er wel voor zorgen
dat je ten einde raad bent. Dat je hulp nodig hebt.
Maar ondanks deze minder leuke gebeurtenissen héb je tenminste een kind. Er
zijn vrouwen en zelfs mannen die te horen krijgen dat ze onvruchtbaar zijn, net
zoals ik. Het is een klap in je gezicht en je droom valt aan dingelen. Je weet
dat er nooit een kind 'mama/papa' tegen je zal zeggen, je weet dat je nooit dat
eerste stapje zult zien, je weet dat je je kind niet vast kunt nemen, je weet
dat je geen schattige kleertjes kunt kopen, je weet dat er geen babykamer
komt... Je míst iets in je leven.
Wat het meeste pijn doet is dat je geen keuze hebt mogen maken, je lichaam
heeft in jouw plaats beslist.
Het spreekt dan ook voor zich dat bijvoorbeeld ik, erg kwaad kan worden op
mensen die hun kinderen verwaarlozen of zelfs doden. Ik kan zelfs kwaad worden
op mensen die geen kinderen willen, gewoon omdat zij die keuze hebben kunnen
maken.
Als ik naar een baby kijk, stroomt het verdriet doorheen mijn lijf, de
onzekerheid hangt boven mij te zweven, de pijn is voelbaar en de tranen staan
in mijn ogen. Mij is die kans ontnomen.
Onvruchtbare vrouwen/mannen maken misschien een kleine kans om wel hun
eigen kind te hebben dankzij de vooruitgaande technologie. Ze kunnen kunstmatig
een eicel bevruchten, ze kunnen de cyclus bijhouden en het juiste moment
uitrekenen, ze kunnen via proefbuizen allerlei methoden bedenken zodat de kans
op slagen groter wordt.
Maar toch is het het lichaam dat beslist en blijft het een grote onzekerheid en
twijfelachtige situatie wat je veel verdriet aandoet.
Cynt
8-12-2005
'...ja, de winter is zo mooi...', zo klinkt het uit mijn
radioboxen.
En dat is voor mij ook zo. De zon gaat steeds sneller onder en het wordt
vroeger donker waardoor een heldere maan door de kale bomen uitblinkt.
Temperaturen dalen tot rond het vriespunt en met een beetje geluk kunnen we ons
verheugen op sneeuw.
Welk geluk voel je niet wanneer je onder wollen dekens in je bed ligt en het
buiten hagelstenen regent? Wanneer je na een lange dag buiten thuiskomt en een
heerlijk warm bad kunt nemen?
Als je 's avonds, met een gedimd licht, gezellig in je flanellen pyjama, met
een warme choco naar een filmpje kunt kijken.
Hét leuke van al, vind ik, is het lichtspektakel binnen en buiten met Kerst (of
al wéken vóór Kerst). In alle vormen en in alle kleuren zie je ze hangen. Vaak
gebeurt het dat ik 's avonds nog een ritje maak met de fiets om dat spektakel
te bezichtigen.
Op zulke momenten voel ik het geluk en de zaligheid door mijn lijf stromen. Dit
in tegenstelling tot het dagelijks leven want nooit heb ik begrepen waarom vele
mensen zich zo druk maken om deze tijd? Dat studenten schudden en beven van de
examenstress, akkoord. Maar dat volwassen mensen humeurig en gestressed
rondlopen omdat ze nog 'O zo dringend cadeaus MOETEN kopen', dat snap ik niet.
Want ten eerste is een gezellige middag shoppen nochtans erg aangenaam en ten
tweede heb ik een hekel aan dat woordje 'moeten'. Is het niet fijner om een
geschenkje te 'willen' geven dan het te 'moeten' geven? Hmm, wat ik dan nog het
bizarste van al vind, is dat ik vaak hoor: 'Ik heb niks gevonden' of 'Wat moet
ik gaan kopen voor x of voor y?' Net alsof de winkels nog niet vol genoeg
liggen. Omtrent zulke situaties blijf ik graag stilstaan want wat maakt het uit
wat je koopt? Bang dat je jezelf voor schut zet? Bang dat x of y zou denken
welk ongelooflijk stom cadeau dat nou weer is? Maar daar gaat het eigenlijk
niet om, of daar zou het eigenlijk niet om mogen gaan. Ik heb al veel met
feestdagen een gewone omslag gekregen met geld erin en de woorden: 'Hier, dat
is voor je Kerst/Nieuwjaar.' Ik krijg het...gewoon. Er hangt niet eens meer een
betekenis aan. Die betekenis heeft voetjes gekregen omdat een mens vandaag de
dag niet zo vlug tevreden meer is en dat mensen juist anderen wél tevreden
willen stellen (of soms zelfs nog niet). En dan nog vind ik materiële gebaren
niet zo bijzonder. Kerst vieren lijkt mij veel meer betekenis hebben als je het
kunt vieren met de mensen van wie je houdt en daar horen niet noodzakelijk
geschenken bij of gehéle uitgebreide maaltijden met alles erop en eraan.
Kerst is een héle bedoening geworden omdat wij, de mens, er zo'n bedoening van
máken.
Goh, stel je dan eens voor hoe mensen in de derde wereld landen Nieuw zouden
vieren? Als je dat al vieren kunt noemen?
Zij kunnen na een lange dag niet thuiskomen en een warm bad nemen want beiden
hebben ze niet. Zij kunnen geen extra trui aandoen als ze het koud hebben want
een kast vol kleren hebben ze niet. Zij kunnen geen uitgebreide maaltijd
voorbereiden met alles erop en eraan want ze hebben geen eten. Zij 'moeten'
geen cadeaus kopen want ze hebben geen geld én geen goederen op zich. Enkel en
alleen elkaar hebben ze. Enkel en alleen op elkaar kunnen ze rekenen. Ik vraag
mij af of dat ze gelukkig zijn? Daar kan ik ook de vraag bij aansluiten of dat
wij gelukkig zijn?
Twee compleet verschillende werelden waar het resultaat, gok ik, hetzelfde is
als het uitkomt op geluk. Jammer vind ik dat, en dan niet noodzakelijk jammer
voor de mensen in de armere landen want wij hebben de mogelijkheid om gelukkig
te zijn - vrede, warmte en eten - en bij velen lukt dat niet.
Er zijn zoveel dingen die er kunnen voor zorgen dat je je niet gelukkig voelt,
maar intens geluk zit nog altijd diep in jezelf geworteld, klaar om
gerealiseerd te worden. Vergeet dat niet.
Cynt
Ouders
Net als je haarkleur, je armen en je benen, word je ermee
geboren: Ouders. Je kan ze niet uitkiezen en je kan geen deal sluiten met een
hogere macht om te zorgen dat de karakters van je ouders feilloos aansluiten op
die van jou. Misschien zou je soms wel eens wensen dat dit voorgaande wél zou
kunnen. Vroeg of laat volgt dan toch weer de reality-check: Dit zijn en blijven
je ouders, zelf uitgekozen of niet.
Als ik mijn moeder wél van te voren uit had mogen kiezen,
had ik niet anders gekozen dan dat het lot voor mij heeft bepaald. Ik tel mijn
zegeningen wat betreft mijn moeder en onze band elke dag. Mijn moeder houdt
mijn hand vast, waar ik geen hand durf te vragen. Ik hoef het niet te vragen,
want hij is er al. Mijn moeder vangt me op vóórdat ik val. Mijn moeder luistert
waar ik niks zeg. Mijn moeder ziet wat ik niet toon. En daar bovenop is ze niet
alleen mijn moeder, maar ook nog eens een krachtig, positief, blij en
ontzettend sterk persoon. Ik zou niet anders kiezen.
Één ouder heb ik wel mogen kiezen. Het woord 'vader' is
voor mij mysterieus. Ik kan er uit mezelf geen definitie aan geven. Vader. Als
jonge Regina hoorde ik dat ik niet op de 'normale manier' geboren was. Mijn
moeder kreeg een spuitje, en daar kwam ik! In grote mensentaal: Ik ben geboren
via kunstmatige inseminatie. En wat doe je als je klein bent? Fantaseren. Om
een oplossing te vinden voor de 'vader-leegte', heb ik een papa uitgekozen.
Sindsdien zie ik André van Duin een beetje als mijn vader. Zo zou hij 'moeten'
zijn; zo zou mijn vader zijn.
Ik besef dat ik het ontzettend getroffen heb en daarom zal
ik nooit stoppen met het tellen van mijn zegeningen. Mensen om me heen laten me
zien dat het ook anders had kunnen zijn: gescheiden ouders, overleden moeder,
overleden vader, altijd ruzie en onbegrip, onveilig voelen in wat thuis zou
moeten heten, een afstand voelen die nooit te overbruggen lijkt, een psychisch
zieke moeder, een vader alcoholist, een gezin dat langs elkaar heen blijft
leven, eenzaamheid, verdriet. Het kan je allemaal overkomen; je ouders kies je
niet.
De band met mijn moeder is ook niet van de één op andere
dag geworden zoals ze nu is. Mijn moeder heeft het pas geleden treffend
verwoord: 'Zo ver als we vroeger van elkaar af stonden, zo dichtbij elkaar zijn
we nu.' Tot aan mijn zestiende begreep ik mijn moeder niet en andersom. We
leefden totaal langs elkaar heen. Tot op het moment dat mijn moeder de dappere
stap nam om over zichzelf te gaan praten; open te zijn. Dingen die ze had
meegemaakt en met zich meedroeg. Ineens snapte ik de persoon achter mijn
moeder. Ineens snapte ik wat het verdriet in haar ogen beschreef. Sindsdien
zijn we stapje bij stapje dichterbij elkaar gekomen. Nu nog een paar stappen
van beiden kanten en we stoten elkaars hoofd, zo dichtbij.
Mocht je dit niet kunnen delen met je ouders of één van de
ouders, onthoud dat dit van beide kanten komt. In een relatie zijn er altijd
meerderen. Onthoud ook dat als je in je opvoeding nare dingen hebt meegemaakt
en niet bepaald het goede voorbeeld hebt gehad, dat niets hoeft te zeggen over
hoe jij misschien later een kindje op zal voeden. Besef dat als je wat betreft uiterlijk
op een ouder lijkt, dat niet hoeft te betekenen dat je zoals diegene wordt. Je
bent je eigen persoon. Weliswaar gevormd door opvoeding van je ouders, school,
maatschappij, werk, genen, vrienden en kennissen, maar je persoonlijkheid is
uniek en van jou. Word niet ondergesneeuwd door wensen van anderen - en dus ook
van ouders - maar volg je eigen weg. Want je ouders kies je niet, maar hoe je
streeft te zijn in het leven staat je helemaal vrij.
Regina
21-04-2005
'Het vriendje van'
en het beste medicijn
Als je een eetstoornis hebt, doet dat veel met je. Het
heeft veel invloed op veel vlakken in je leven. Onherroepelijk doet het dus ook
veel met je omgeving. Je vrienden, familie, je partner. Allemaal pikken ze een spreekwoordelijk
graantje mee van waar je doorheen gaat.
Waarschijnlijk het meest gebruikte woord dat daarmee
gepaard gaat, zal machteloosheid zijn. Om als vriendin naast iemand te staan
met een eetstoornis, kan je niet veel doen om de situatie praktisch anders te
maken. Je kan het eten niet bij je vriendin naar binnen brengen, je kan een
negatief zelfbeeld niet voor haar ombuigen. Je ziet dat degene om wie je geeft
ziek is en vanuit die situatie de neiging heeft zichzelf kapot te maken.
Machteloosheid.
Misschien heb je, als familie, partner of vriend, aan de
andere kant ook het onterechte idee dat je helemaal niets kan doen. Het
tegendeel is waar. Een luisterend oor, ruimte voor begrip en steun, het besef
kunnen geven dat schaamte niet nodig is, de geruststelling dat jij er bent -
naast je vriendin zal blijven staan. Die dingen kunnen de kracht geven een
gevoelsmatige berg te verzetten. Uiteindelijk zijn dat dingen die onmisbaar
zijn is het proces van erkenning, de stap naar hulp en de uiteindelijke genezing.
Je doet waarschijnlijk dus al veel meer dan je zelf zou denken, ondanks dat
gevoel van machteloosheid je nog al eens kan plagen.
Voor iemand met een eetstoornis is schaamte aan de andere
kant een groot begrip. Daarbij wil je een ander vaak niet tot last zijn en wil
je de ander ontzien zodat de bovenstaande machteloosheid hopelijk uit zal
blijven. Hier zit er een addertje onder het gras. Want iemand die om je geeft,
voelt op een natuurlijke manier aan dat er iets aan scheelt. Ook natuurlijk is
dan de reactie 'er voor iemand te willen zijn'. Als je je geheim bij je wil
blijven dragen zonder openheid te geven, lijkt het of je iemand ontziet. Maar
het tegendeel is waar. De situatie is zo als die is, je kampt hiermee. De
mensen om je heen voelen iets aan, dus waarom dan zwijgen? Voor de mensen om je
heen is het prettiger te weten wát er dan precies aan scheelt dan dat ze weten
dat er ‘iets’ is. Verder kunnen ze de wil voeden er voor je te kunnen zijn.
En wie weet heb je er zelf ook nog iets aan.
Natuurlijk is dit in de praktijk wat moeilijker dan dat ik
hier schets. Want je krijgt niet alleen te maken met schaamte, maar wil ergens
je eetstoornis en je eetgewoonten voor jezelf houden omdat het je iets op lijkt
te leveren. Maar eens komt te tijd dat jij ook klaar bent om je eetstoornis te
verslaan en openheid is dan één van de dingen die je goed kan gebruiken.
In het verlengde hiervan, kan je, als je lijdt aan een
eetstoornis, het gevoel hebben dat je de genen om je heen alléén maar pijn doet
met de dingen die je vertelt. De verdiensten van openheid en de mogelijkheid
geven dat mensen er voor je mogen zijn heb ik hierboven al bejubeld. Maar er is
nog iets waar je als eetgestoorde nog al eens aan voorbij kan gaan. De mensen
om je heen hebben een keuze. Als ze bij je blijven, je aanhoren en er voor je
zijn, willen zij dat. Geloof het of niet, ze vinden je waardevol, geven om je,
willen in je omgeving zijn. Ze zien jou - je persoon - en zijn daar blij mee.
En je persoonlijkheid gaat veel verder dan je eetstoornis. Die overstijg je met
wie je bent en wat je voor hen betekent. Mochten ze een offer moeten brengen je
te steunen in je strijd, wordt dat volledig teniet gedaan door wat ze voor je
voelen. Problemen zijn ondergeschikt aan vriendschap en houden van.
Toch kan je als 'moeder, vader, zus, broer, partner,
vriend of vriendin van..' ook wel eens wat steun gebruiken. Periodes van
machteloosheid en verdriet hoef je niet alleen te dragen. Ook daar kunnen ook
gevoelens van schaamte bij komen kijken omdat je misschien vindt dat je het als
omgevende allemaal wel zou moeten kunnen. Maar hier geldt hetzelfde, steun mag
je vragen, hulp mag je aanpakken, een luisterend oor en herkenning mag je als
omgeving ook verwachten. Gelukkig is er op VEN ook voor familie de mogelijkheid
je ei kwijt te kunnen. Openheid lijkt mij van beide kanten één van de beste
medicijnen.
Regina